🏝🇫🇷 Belle-Île-en-Mer doet zijn naam (meer dan) alle eer aan

Van alle 369 GR-routes in Frankrijk (die meer dan 60.000 kilometers wandelpret belichamen), verkozen de Fransen dit jaar de GR340 op het Bretoense eiland Belle-Île-en-Mer tot hun meest geprefereerde wandelpad.

Hebben onze zuiderburen smaak qua stappen of gooien ze er met hun jeu de boules naar? Onze eigen GR 340-ervaring leert dat het elysische eilandpad met recht en rede bekroond is! Tachtig sensationele kilometers lang (of te kort) zwabbert de route gezwind langs de kolossaal kartelende kust, waarbij je je als nietige passant vergaapt aan en een weg baant door betoverende baaitjes (met 58 uniek ingesneden stranden) en roemrijke rotsen die uit de Atlantische Oceaan oprijzen. Als klap op de vuur(toren)pijl vind je er de meest bangelijke bivakplaatsen.

Voor ik samen met mijn weergaloze wandelkameraad Lukas die wondermooie wit-rode weg kon inslaan, hadden we eerst nog een autorit van acht uur voor de boeg. Via de prachtig hellende Pont de Normandie (die over de in het Kanaal uitmondende Seine loopt) en de eufemistisch genaamde reposplaats Aire du Mont Saint-Michel (van waaruit het getijdeneiland helaas allerminst zichtbaar was), komen we 750 kilometer zuidwestelijker aan op het schiereiland Quiberon.

Een ware zondvloed kluistert ons nog iets langer aan de wagen, maar eenmaal we een halfuur later alsnog de ferry richting Belle-Île ophoppen, verdwijnt de regen als sneeuw voor de zon. Achtereenvolgens gidsen duchtig dartelende dolfijnen ons naar de eilandelijke hoofdplaats Le Palais, voert een feeëriek kronkelpad ons van de kaai naar de camping en ultiem begeleiden een heerlijk happy hour en bijhorend kletterende karaokeavond (waar het zowaar verplicht is om op je stoel te dansen) ons naar dromenland.

👣 Le Palais – Plage de Stêr Vraz (21 km)

Via de naar hem genaamde chaleureuze citadel doet vestingmeester Vauban ons uitgeleide uit Le Palais. Om duidelijk te maken dat het pad voorts (gelukkig) geen stedelijke allures heeft, verschaft een Moria-achtige poort ons toegang tot het stante pede relatief ruige kustpad. De eerste panoramische aanblik is er een om van te watertanden: een minuscuul strandje dat lieflijk geprangd ligt tussen de karakteristieke, krioelende kliffen en de van azuur- tot opaalblauw transformerende oceaan. Langs zeven gelijkaardige, maar toch totaal verschillende, diepgelegen strandinhammen dalen en klauteren we verder naar de Pointe de Taillefer, waar een ruïneus fort (dat 300 jaar geleden gebouwd werd door Vauban – uiteraard – en tachtig jaar geleden dienst deed  als Duitse Atlantikwall-defensie) zich tot exploratie leent.

Gedurende de rest van de route naar de noordelijke ronding van Belle-Île-en-Mer trakteren we onszelf op een gerechtvaardigd gerstenatje in Port Jean (waar zwemmers, zeilboten en zeemeeuwen een paringsritueel doen) en een boekweitpannenkoek in de excessieve baai van Sauzon. Eenmaal onze innerlijke mens versterkt, bereiken we de plek die zowat alle Belle-Île-brochures siert: de vuurtoren op de Pointe des Poulains. Op dit schiereilandje, dat bij hoogtij in zee verzinkt, voel je je nietig in aanwezigheid van de “tegen de rotsen botsende klotsende hotsende watermassa, basis van alles en van heel wat gedichten”, om auteur Jeroen Theunissen treffend te citeren. Machtig mooi in al zijn natuurlijke eenvoud!

Langs een uitdagend golfterrein (dat aan alle elementen is overgeleverd), slaan we af op zoek naar een geschikte bivakplaats. Geschikt blijkt een uitermate groot understatement als we de Plage de Stêr-Vraz naarstig naderen. Met een verkwikkende zwempartij bij valavond spoelen we al het zweet en stof van ons af, waarna we vanuit een excellent arendsnestje boven de baai genieten van spijs en drank. Zelfs een meeuwenstront op onze tent is snel uit het geheugen en het zeildoek gewist. De ritmisch voorbij wuivende lichtbundels van de vuurtorens van Poulains (in het noorden) en Goulphar (die daags nadien continu ons zuidelijke mikpunt zal zijn) wuiven ons ten slotte gedwee in slaap.

👣 Plage de Stêr Vraz – Port Goulphar (18 km)

Als ware kustwachters flankeren enkele koene kajakkers en een lange colonne zeilschepen ons tijdens de eerste stondes van onze tweede wandeldag. Het is niet toevallig dat het ‘verkeer’ op zee hier iets toeneemt, want aan deze (zuid)westelijke kant van Belle-Île-en-Mer zijn de kliffen nog veel spectaculairder en dieper geërodeerd dan aan de lieflijkere oostkust. Ietwat contradictorisch misschien, maar net door die rijzigere rotsen is het wandelpad hier een tiental kilometer lang egaler, opener en minder glooiend. Al deze baaien naar beneden hotsen zou gekkenwerk zijn. Hoog en droog aanschouwen we ettelijke drijvende stenige kolossen, landtongen en grotten, met de Grotte de l’Apothicairerie als beste medicijn tegen hoogteziekte.

Vanaf de prachtige Port de Borderun wordt de hoogteteller wel weer snedig aangezwengeld (driewerf hoezee!), hetgeen een iets oudere vrouw in ons vizier zelfs ten gronde doet zijgen. Die acute knieval vergoelijkt ze met de (ons ietwat beschuldigende) frase “Ik ben hier in het nadeel met mijn kortere benen!”. Na dat intermezzo voeren onze lange benenwagens ons verder naar het door surfers overspoelde lange zandstrand van Port de Donnant, waar een sanitaire noodstop halleluja-kreten doet opstijgen uit een perfect gesitueerd bosje.

Eens we ons tegoed hebben gedaan aan golfscherende impressies en exquis geplet proviand, zetten we al de eindsprint van deze etappe in. Die laatste penseelstreken over dit gedeelte van het kustpad zijn succulent. De parmantig uit het diepe blauw priemende Aiguilles de Port Coton inspireerden Claude Monet tot een kwartet sfeervolle schilderijen én ons (en een horde toeristen die duidelijk niet de hele GR-route wandelen) tot enkele minder arbeidsintensieve kiekjes. In de rustieke baai van Port Goulphar, die door menigeen als de mooiste inham van het eiland wordt omschreven, houden we nog halt voor onze dagelijks zwemfestijn tussen de voor anker liggende plezierbootjes.

Ons eigen anker slaan we uit (en bijgevolg slaan we onze haringen er in) bovenop de kliffen rond dat zwemparadijs. Na een gastronomisch gevulde pannenkoek en bijhorende degustatieve cider in de charmante Crêperie Coton (waar de gastvrouwen klaarblijkelijk ook gecharmeerd zijn door onze aanwezigheid) zien we de zon nog zwierig en gevarieerd veelkleurig zakken in de zinderende zee.

👣 Port Goulphar – Port Andro (24 km)

“L’étape reine” kondigt zich met veel bravoure en een zwoel opkomend zonnetje aan! Deze zuidelijke kust- en klifstrook wordt met recht en rede de “côte sauvage” genoemd. Het gekkenwerk waarover gisteren sprake wordt vandaag wél bewaarheid, met een amalgaam aan uitgehouwen ezelspaden die de baaien in- en uitslingeren. Een vooruitblik op al dat zware lekkers krijgen we vanaf het meteo- en radarstation op de uitstekende Pointe du Talut: voor ons tekenen krinklende winklende waterdingen kilometerslang het landschap, met aan de einder twee uitstekende Pointes.

Veruit de meest technische aflopende rotswand krijgen we daarna meteen onder onze houvast zoekende voeten geschoven. In de kilometers landinwaarts lopende Port de Kérel-inham doet het GR-pad er alles aan om zo min mogelijk op een begaanbaar pad te lijken. Hemels! Ook nadien volgt een machtige mix tussen stroken waarbij we relatief rustig langs de klifwand marcheren en scènes waarbij we puffend x-aantal summa opklauteren (waarna de voldoening aan de andere kant van de baai des te bevredigender is wanneer we aanschouwen welke ogenschijnlijk loodrechte muur we zonet bedwongen hebben).

Na achttien allesomvattende kilometers, waarbij we tijdens de laatste lendenrukken nog een partij prachtig in de diepte opdoemende stranden passeren, pauzeren we pauselijk op de meest zuidelijke landengte Pointe du Skeul. Waar dit schiereiland vanochtend een microscopisch puntje aan de horizon was, ontwaren we nu mijlenver verwijderd de radarmasten op de Pointe du Talud. Mooi wandelstukkie om het met onderdrijving uit te drukken!

Nu opnieuw noordelijk navigerend, met in de rustig geworden oceaan de kleinere eilanden Houat en Hoedic drijvend én zelfs het Franse vasteland al in zicht, zweven we de plots weer begroeide rotswand af naar onze etappehalte Port Andro. Daar aangekomen (je raadt het wellicht al) is het eerst weer tijd voor oceaanexploratie, gevolgd door campinginauguratie (waar afschuwelijke Annabelle-poppen en een grondig geschrobde eenhoorn ons ietwat uit ons lood slaan) én een door de nodige Leffes geaccompagneerd burgerfestijn. Wat een ontzaglijke topdag!

👣 Port Andro – Le Palais (14 km)

Er wordt weleens beweerd dat het weer onze gemoedstoestand reflecteert. Dat klopt. Ietwat beteuterd als we zijn omdat we al onze laatste dag aanvatten op dit elysische eiland, gaan de hemelsluizen dan ook wagenwijd open terwijl we ons bivak afbreken. Een kwartier later is echter alles alweer (bijna) zonneklaar. Tot spijt van wie het benijdt (hier en daar wordt een viriele vloekterm in het rond geslingerd) en tot jolijt van wie het verheerlijkt, heeft het pad als slotstuk geen zondagse rode loper uitgerold, maar blijft het richting de vuurtoren van Kerdonis en het ultralange Plage des Grands Sables soms subliem steil stijgen.

Na de allerlaatste chocoladebroodjes, die intussen zo flinterdun geplet waren als pannenkoeken, vraatzuchtig te hebben verorberd (waarbij ons middagmaal geïnterrumpeerd werd door een heerschap dat wel heel geniepig uit de bosjes kwam gezwalpt), huppelen we als intussen volleerde klifgeiten de laatste intense inhammen door. Vanaf de rotsige uitloper Pointe du Fort zien we Le Palais opeens vlakbij opdoemen en voor we het goed en wel beseffen struinen we door de smalle steegjes naar onze begin- en eindelijke GR-lantaarnpaal op de scheepskade.

Een afsluitende kasserol Bretoense mosselen in combinatie met een Affligem vormen de perfecte brug tussen dit beminnelijke Belle-Île en onze Vlaamse hofstee. Terwijl wij letterlijk duimen en vingers aflikken, verft een amateurschilder (die ons jandorie voor Duitsers aanziet) aan het tafeltje naast ons een aangenaam aquarel van de havengeul. Het is zeker geen Monet-meesterwerk, maar typeert wel dat Belle-Île-en-Mer vanuit elke hoek (of beter: klif) extreem schilder-, kijk-, begerens- en vooral wandelwaardig is.

De vier etappes schematisch weergegeven:

Exotisch eiland vol vulkanen en avontuur? La Réunion lé la! 🌋👣🌊

❓ “Wat weet u over La Réunion?”

🗣 “Minuscuul stipje in de Indische Oceaan. Frans overzees gebied. Stop.”

We durven stellen dat 95 procent van de deelnemers aan De Slimste Mens zich op de borst zou kloppen als hij of zij die twee antwoorden richting Erik Van Looy kon bazelen. Enkel de echt ingewijden kunnen daar nog de ontbrekende omschrijvingen “Ongerept wandel-, canyoning- en parapenteparadijs”, “Eclatante vulkanische erupties” en “Delicieuze Creoolse cuisine en gastvrijheid” aan toevoegen.

Tot nu. Want met dit relaas hoop ik jullie even onder te dompelen in de betoverende schoonheid van La Réunion. In dit geval ligt onbeschrijfelijke pracht écht in een klein hoekje. In de Indische Oceaan, met als ‘naaste’ buren Madagaskar (op 700 kilometer afstand) en Mauritius (op 200 kilometer), om precies te zijn.

Réunion mag dan maar 2.500 vierkante kilometer groot (of klein) zijn, maar tien dagen lang wist het eiland ons elke seconde opnieuw met verstomming te slaan. Wat een kick om onder meer op enkele honderden meters van een lavaspuwende vulkaan te staan, die zelfs – als vurige teaser – het journaal in Vlaanderen haalde:

Voor de bibliofoben die nu al leesmoe zijn, onze reis naar La Réunion summier samengebald:

  • Meest unieke moment: Vulkaanuitbarsting van de Piton de la Fournaise
  • Een vat vol voldoening: Tweedaagse beklimming van de 3.000 meter hoge Piton des Neiges
  • Plezantste (en natste) avontuur: Canyoningtocht in een schitterend decor
  • Hoogtepunt (letterlijk en figuurlijk): Parapentevlucht over land en zee
  • Meest hart- en maagverwarmende: De Creoolse cultuur, met aimabele bevolking en verrukkelijke keuken

Dag 1⃣ en 2⃣: Reis rond de (halve) 🌍 en acclimatisatie

Op 23 september 1913 vloog oorlogsheld Roland Garros als eerste de Middellandse Zee over. Bij zijn landing in het Tunesische Bizerte had hij nog maar vijf liter benzine aan boord. 105 jaar na die prachtprestatie stak ook ik voor het eerst die waterplas over, zij het wel met drie mieterse reisgezellen en iets meer brandstof aan boord. Bovendien besloot onze piloot door te vliegen naar de geboorteplaats van Roland Garros, die zich ongeveer ter hoogte van de Steenbokskeerkring bevindt.

frankrijk - réunionGoed voor een luchtreisje van net geen 12 uur. Voor amper 400 euro heen en terug hoorde je ons absoluut niet mokken. Zelfs een Poolse oelewapper die dacht dat de rij voor ons het label ‘schommelstoelen’ droeg, kon onze blijde verwachting niet temperen.

En terecht, zo bleek wanneer onze Roland Garros van dienst bij het heel vroege ochtendgloren (5.30u plaatselijke tijd) de landing inzette nabij hoofdstad Saint-Denis . Nadat onze eerste feces ietwat later in de plaatselijke plee (help, Franse toiletten!) ronddreven en we met onze uitstekende huurbolide de opkomende zon tegemoet reden, ontvouwde zich rondom ons een feeëriek landschap. Vlak voor ons de gezellige hoofdstad, amper tien kilometer landinwaarts massieve bergen en in het noorden de immense oceaan.

Eens we op het terras van ons eerste logement op onze positieven gekomen waren van die impressies, groeide pas echt het besef dat de zon hier de andere richting opdraait, dat we dichter bij pinguïns op Antarctica dan bij Kai-Mook vertoefden, dat je hier gewoon met de euro kan betalen, dat het plaatselijke Dodo-bier verrassend smakelijk (en zeker niet uitgestorven) is en vooral dat tien onvergetelijke dagen in het verschiet lagen.

Naar Réunion moet je zeker niet afzakken als je een stadsmus bent die de hop-on-bus enkel wil verlaten om een grijs bataljon wolkenkrabbers aan een zonnebrilblik te onderwerpen, maar Saint-Denis (dat met zijn 200.000 inwoners een vierde van de bevolking van Réunion huisvest) is absoluut een fijne stad om een halve dag rond te kuieren en zo de in het vliegtuig gegeselde bloedsomloop weer zijn normale gangetje te laten stromen.

Trekpleisters zijn de jardin de l’Etat, de geklasseerde kathedraal, ambtswoningen in een mengelmoes van stijlen en vooral de vroegere haven Le Barachois, die nu dienst doet als ontmoetingsplaats. Daar vergaapten we ons voor het eerst (van ontelbare keren) deze reis tientallen minuten lang trancematig aan de schuimbekkende, beukende en rollende golven van de Indische Oceaan die zich op de rotskust te pletter stortten.

Om de eerste avond op het zuidelijke halfrond vervolgens ondersteboven te beëindigen, dachten we het adagium “Als de kat van huis is, et cetera” toe te passen, maar hier – op 10.000 kilometer van huis – bleek de kat helemaal niet heen te zijn. In het charmante café ‘Le passage du Chat Blanc’ werden we op de drankkaart verrast door talloze exotische cocktails, zij het telkens vermengd met Belgische bieren. Vooral ‘Le Chat Blanc’, bestaande uit Hoegaarden, vodka en triple sec, viel in de smaak.

Tel daar nog enkele pitchers bier bij en het is niet verwonderlijk dat (na een rozenzachte slaap) daags nadien de vuilnisemmer op ons appartement door een niet nader genoemde compagnon niet enkel gebruikt werd om zijn bananenschil in te deponeren.

 

Dag 3⃣: Voor het eerst (letterlijk en figuurlijk) in de ☁ vertoeven

De echte aftrap van het avontuur. Nadat we gedurende vijfentwintig kilometer op de ringweg een tiental Saint(e)-genaamde dorpjes voorbijgecruised waren (er zijn écht bijna geen niet-heilige dorpen op Réunion, buiten ‘Le Tampon’ dan) en we net voorbij Saint-André landinwaarts en -opwaarts gedraaid waren, kalefaterden we allemaal op toen een watervalletje dwars over de weg onze auto zegende.

Bestemming van dienst na de natuurlijke carwash was Hell-Bourg, dat met recht en rede op de officiële lijst van ‘Les plus beaux villages de France’ prijkt (samen met 157 andere Franse pittoreske dorpjes). Het ravissante Hell-Bourg ligt op 1.344 meter boven zeeniveau. En dat op amper een uurtje rijden van onze vertrekplaats die ochtend. Het was onze eerste kennismaking met het grillige Réunionese binnenland.

point de vue hell bourg

Die oeroude bergachtige aanblik betoogt een korte geologische duiding, al probeer ik de les geschiedenis tot een absoluut minimum te herleiden. Zo’n drie miljoen jaar geleden braakte een onderzeese hotspot de eerste lavastromen boven de Indische Oceaan uit, waar na een stollingsproces van lange adem de bergketen Piton des Neiges (en globaler gezien Réunion) uit ontstond.

Na onnoemelijke megalomane uitbarstingen verloor de Piton zo’n 20.000 jaar geleden zijn levensvreugde, om zijn huidige top op iets meer dan 3.000 meter hoogte te verkrijgen. Met omringend drie prachtig geërodeerde kraters die natuurlijke amfitheaters vormen: de Cirque de Salazie (in het noordoosten), de Cirque de Cilaos (het zuidelijke stuk) en als meest magnifieke de Cirque de Mafate (in het noordwesten). Om het schouwspel nog meer bravoure te geven, vormde zich in de tussenperiode zo’n half miljoen jaar geleden een tweede vulkanisch massief ten zuiden van deze eerste vurige gigant. Die Piton de la Fournaise is tot op de dag van vandaag wel nog heel actief (zoals we aan den lijve konden ondervinden).

geologische kaart

Genoeg geologie, terug naar de natuurpracht van de derde dag. Hell-Bourg kijkt schitterend uit op de noordelijke Cirque de Salazie en leent zich uitstekend tot wonderlijke wandelingen. Ideaal als opwarmertje voor de rest van de reis, al doet de naam ‘opwarmertje’ oneer aan de betreffende wandelpaden (en het gevoel in de kuiten nadien).

Het meest toegankelijke wandelpad is de ‘Trois cascades’, dat zich na een enorm steile start een weg baant langs, onder en over huizenhoge bamboebomen, vooraleer aan te komen bij la-Vièrge-les-pieds-dans-l’eau. De naam van die goddelijke maagd spreekt boekdelen en deed ons een dankgebedje prevelen.

Onze gereinigde voeten gaven ons zin om meteen erna nog een krachttoer uit te halen: de 7,5 kilometer lange beklimming richting het Forêt de Bélouve, een ongerept oerbos dat het centrum van het eiland vormt. Het pad op zich was niet van de poes (wat wil je als je overal langs de beboste wanden wegwijzers met ‘kilomètre vertical’ ziet opduiken), maar wel van de hond blijkbaar, want één van onze reisgezellen zag zijn weg even versperd door een moorddadige hond (die in werkelijkheid veel weg had van een uit de kluiten gewassen chihuahua).

Eens die honde horde genomen, slalomden we ons een weg over rotsblokken, boomwortels en een verkoelend stroompje. De aanblik van bovenaf op Hell-Bourg en bergrijke contreien was adembenemend, maar hoe hoger we klommen, hoe meer we ons letterlijk in de wolken waanden. Op de top aangekomen leerden we een vitale Réunionese les: het eiland is voorbestemd voor vroege vogels, want na het middaguur zijn quasi alle hooggelegen plateaus omgeven door een sluier wolken. Al hadden ook die nevels absoluut hun mysterieuze charme.

Tijdens de afdaling maakten de cumuli plaats voor een invallende duisternis en knorrende magen. In Hell-Bourg bleek rond 20 uur enkel nog het plaatselijke hotel over voldoende proviand te beschikken, dus keuze te over qua eetgelegenheid was er niet. Maar beklagen deden we ons die opgedrongen keuze allerminst. In ‘Le Relais des Cimes’ lieten we ons voor het eerst vergasten en overdonderen door de rijkelijk smakende Creoolse keuken, die het beste van de Indische, Afrikaanse en Franse eetwerelden samenbrengt.

Als kers op de taart – of liever smaakmaker op de rijst – deed ‘piment’, een pittige plaatselijke peper, zijn intrede in ons smakenpallet. Tot op de dag van vandaag doe ik ook thuis op zowat al mijn gerechten een mespuntje piment. Verrukkelijk pikant! Een volstrekt van lichtpollutie gevrijwaarde sterrenhemel (met alle sterrenbeelden op zijn kop ten opzichte van het noordelijk halfrond) maakte de avond nadien helemaal perfect gekruid.

 

Dag 4⃣: Springen, zwemmen, klimmen en glijden in het waterige ❤ van het eiland

Op onze vierde dag stond met de afdaling van de Trou Blanc-canyon de activiteit op de agenda waar ik het meest had naar uitgekeken en waarvoor sommige moeders hun hart al dagenlang vasthielden. Zo werden er zelfs repatriërings- en levensverzekeringen afgesloten. Gelukkig (en logischerwijze) hoefden die niet aangesproken te worden, want het werd een spetterende dag vol adrenaline.

Voor dag en dauw nam onze guitige gids Louis ons mee naar het hart van de Cirque de Salazie, aan de voet van de wonderlijke Piton des Neiges. In een diep uitgesneden landschap met langs beide zijden rotsen die tot wel honderd hoog de lucht in priemden, doken we het verfrissende water van de Trou Blanc in. Enkele bijnamen van die bergstroom luiden “La perle du canyoning à la Réunion” en “Un vrai aqualand”.

En dat aqualand deed zijn naam alle eer aan: vier uur lang gleden we langs natuurlijke glijbanen naar beneden, sprongen we van metershoge rotsen diep in het water, genoten we tijdens enkele rappels zowel van het verbluffende landschap boven ons als van de watervallen die op onze helmen neergutsten, kregen we al zwemmend enkele liters van het zuiverste bronwater binnen, kwamen we al rollebollend in een ware ‘wasmachine’ terecht en kende onze adrenalinerush een ontknoping met een death ride met waterlanding.

Deze slideshow vereist JavaScript.

Het is nagenoeg onmogelijk om die adembenemende waterafdaling accuraat te beschrijven, vandaar bovenstaande fotoslideshow en onderstaande spetterende video’s. Het gevoel van je enkele uren totaal over te leveren aan de stromende natuurelementen, aan de instructies van een (top)begeleider en aan je eigen doorzettingsvermogen, is gewoonweg “wow”. Een ab-so-lu-te must do als je naar La Réunion op vakantie gaat! En alsof dat alles nog niet perfect genoeg was, deed Louis ons uitgeleide met een koelbox vol welverdiende Dodo’s.

‘De wasmachine’ deed zijn naam alle eer aan:

Een salto vanop een 8 meter hoge glibberige rots? Geen probleem!

Met het hoofd vooruit de laatste glijbaan af:

Dag 5⃣: 💦 en 🔥 gaan hand in hand op de Lavaroute

Nadat onze benen en armen de voorgaande twee dagen al hun deel van het wellustige werk hadden mogen opknappen, lieten we vandaag vooral de motor van onze witte bolide en de gestolde restanten van de Piton de la Fournaise ronken. Vanuit Saint-Benoit zetten we koers naar het ruige zuiden.

Terwijl in onze rechterooghoek de Piton de la Fournaise constant 2.600 meter boven ons uittorende, volgden we de exuberante lavalittekens die die vulkaan de voorbije decennia heeft achtergelaten. De Lavaroute strekt zich over een lengte van 25 kilometer uit, een zone die niet voor niets ‘Le Grand Brûlé’ genoemd wordt. Eigenlijk valt gedurende al die kilometers je mond open van de gestolde, zwartgeblakerde lavawoestijnen. Om de haverklap vind je bordjes die een nieuwe uitbarsting markeren. De meest impressionante restanten zijn de ‘coulées de lave’ van de volgende drie jaartallen:

  • 1977, toen het dorpje Sainte-Rose tot een maanlandschap herschapen werd. 41 jaar geleden overspoelde de lava grote delen van dat dorp, om plotsklaps tot stilstand te komen vlak voor de kerk. Halleluja!
  • 1986, toen de vulkaan de Napoleonistische expansietoer opging. De vulkaanuitbarsting was zo krachtig dat de lava tot in de Indische Oceaan stroomde en het grondgebied van La Réunion met enkele are uitbreidde. Een heel leuke maanwandeling leidt via een veld vol inuksuk (gestapelde stenen) en enkele wel heel volhardende plantjes naar die lava-uitstulping van het land, die als de Pointe de la Table bekend staat.
  • 2007, toen de inwoners van het ‘woeste zuiden’ – die nochtans niet voor een vulkaanuitbarsting meer of minder vervaard zijn – voor het (voorlopig) laatst echt de stuipen op het lijf werden gejaagd. Het duurde uiteindelijk zeven maanden voor de totaal met magma overspoelde ringweg weer geopend werd.

Die eeuwige restanten van het geweld van de Piton de la Fournaise deden onze kuiten nog meer jeuken om ’s anderendaags de vulkaan te bedwingen. En wisten wij op dat moment veel dat we zelf bevoorrechte getuigen zouden worden van een sublieme eruptie.

Niet enkel de god van het vuur Hephaistos kon zich op dit stipje van de aardbol uitleven, maar ook Poseidon voelde zich er als een vis in het water. Réunion herbergt honderden kletterende watervallen. Twee ervan stortten vandaag duizenden liters voor onze ogen uit. Bij het idyllische Anse des Cascades vormen de feeërieke, rustig neerdalende watervalletjes een schril contrast met de oceanische golven die amper enkele meters verder met een reusachtige kracht tegen de lavakusten botsen.

Voor we als dagafsluiter de meest beroemde waterval van het eiland – Le Grand Galet – konden bezichtigen, moest onze Dacia Sandero eerst een quasi loodrechte muur van haarspeldbochten bedwingen. Hetgeen onze auto uiteraard met verve volbracht. Het uiteindelijke uitzicht op de 90 meter hoge en zich continu vertakkende waterval was de spectaculaire rit meer dan waard. Met ons hart vervuld van vuur en water (en onze maag weer excellent gevuld door een Creools kokende oma) bereikten we via het absorberende stadje Le Tampon de hoogvlakte van La Plaine des Cafres, waar ons bedje gespreid stond.

Dag 6⃣: En dan sta je opeens op één van de meest actieve vulkanen ter wereld

Van dat gespreide bedje konden we maar een handvol uren genieten, al talmde geen der onze vier zielen daar maar een sikkepit om. Om exact 5 uur ’s ochtends zetten we koers naar de al vaak geciteerde Piton de la Fournaise. Een (ochtend)mens moet wat er wat voor over hebben om een wolkenvrij uitzicht te hebben vanop 2.600 meter boven zeeniveau.

Niet enkel de eindbestemming, maar ook de weg ernaartoe ontlokte bewonderende blikken. De haarspeldbochten in La Plaine des Remparts, het uitzicht vanaf Nez de Boeuf op de in roze ochtendgloren gehulde bergen en vooral het laatste onverharde gravelstuk met de toepasselijke naam La Plaine des Sables (dat perfect als decor voor de Star Wars-planeet Tatooine kon dienen) deden onze opwinding nog toenemen.

En toen moesten we nota bene nog de drie uur durende wandeltocht naar de vulkaankrater aanvatten. Startpunt van die enig mooie – en toegegeven, ook lastige – etappe is de Pas de Bellecombe. Vanaf deze natuurlijke omwalling, die honderd meter boven de krateromgeving uitsteekt, leidt een wenteltrap bijna loodrecht de klif af naar het wandelpad in de ‘Enclos Fouqué’-caldera.

Op een eerst licht golvend, maar al gauw steiler lopend pad klauterden we naar de grootste krater van de Piton de la Fournaise, terwijl stoomwolken en nog gloeiende gestolde lava het tafereel extra cachet gaven. Van enige flora was hier geen sprake meer. Na een laatste krachtmeting bereikten we het Balcon du Dolomieu, vanwaar een reusachtige krater de diepe ingewanden van de vulkaan induikt.

Deze slideshow vereist JavaScript.

Opmerkelijk aan de beklimming van deze vulkaan, is dat mensen van allerlei pluimage zich ertoe aangetrokken voelen. Zowel een groep schoolkinderen op Crocs (die zich wellicht niet veel verder dan het licht golvende stuk hebben gewaagd) als enkele ultralopers die in een voormiddag tot twee keer toe de vulkaan opflitsten, kruisten ons pad met een vriendelijke ‘Bonjour’. Gedurende de afdaling dansten onze enkels enkele keren vervaarlijk de chachacha, maar het bedwingen van een vulkaan die al 500.000 jaar actief is, mochten we vol voldoening afvinken.

Wie had toen gedacht dat we daar amper vier dagen later opnieuw zouden staan, met onze mond nog veel meer vol tanden?

Dit bord bleek enkele dagen later wel heel profetisch:

20180913_065740 (1)

Dag 7⃣: “Op de zevende dag rustte Hij van Zijn werken (en dronk hij rum)”

Na drie actieve, energieabsorberende dagen was een lange nachtrust welgekomen. De buizen van vijf liter bier van Malagassische makelij die we ’s avonds – al nagenietend van de vulkanische vergezichten – soepel lieten binnenstromen, bevorderden die nachtrust. Het was ’s anderendaags dan ook pas iets voor de noen dat we onze nieuwe verblijfplaats Saint-Pierre, de op één na grootste stad van het eiland, gretig gingen verkennen.

Saint-Pierre bevindt zich aan de zuidwestkant van La Réunion, waar de lavavelden plaatsmaken voor zwoele zandstranden. Onze eerste stop was het langgerekte Plage de Grande Anse. Aan palmbomen, zand en rustig aanzwellende golven geen gebrek, maar onze zwemplannen werden verstoord door (de mogelijke nabijheid van) haaien. La Réunion beschikt over een tiental fantastisch idyllische stranden als deze, maar bijna overal wapperde gedurende onze reis de oranje vlag die op haaien wijst.

20180918_125445 (1)

Omdat ‘als haaienmaal fungeren’ niet meteen op onze bucketlist stond, deden we er verstandig aan die raadgeving niet in de wind te slaan. Achteraf bekeken bleek de beste stek waar we wel gezwommen hebben Alizé Plage, grenzend aan de stadskern van Saint-Pierre, waar een uitgebreid koraalrif de zwemmende aaseters op veilige afstand houdt. Als fervente fans van de Corsicaanse zangeres Alizée Jacotey hadden we dat eigenlijk al op voorhand kunnen weten.

Absoluut niet getreurd over waterpret die wat in het water gevallen was, want in de late namiddag vonden we met de rumdistilleerderij Saga du Rhum al een andere activiteit die ons deed watertanden. Een interessante interactieve rondleiding in het museum gidste ons van de suikerrietplantages (die een groot deel van het eiland beslaan) over de mengprocessen tot de uiteindelijke proeverij. Zowel de traditionele rumsoorten als de ‘rhums arrangés’ (die maandenlang de aroma’s van diverse fruitsoorten absorberen) vielen in de smaak. Zo zeer zelfs dat we in de strategisch geplaatste boetiek een klein voorraadje rumflacons insloegen.

Deze relatieve relaxdag sloten we af met een gedurfd spelletje op de landtong Pointe du Diable (niet te verwarren met de eerder bezochte Pointe de la Table), met een schilderachtige zonsondergang en met één van de allerbeste maaltijden van de reis. De ‘carry camarons’ met aangepaste wijn in het authentieke restaurant Kaz à Lea (in het centrum van Saint-Pierre) doet me bijwijlen nog het water in de mond krijgen.

20180914_180818

Dag 8⃣: Klim naar onbekende hoogten, Piton des Neiges (deel 1)

Om op Bijbelse leest geschoeid te blijven in de aanvangszin van de dag, brak vandaag de Dag des Oordeels aan. We keken allen met enorm veel goesting en verwachting, maar – ik denk dat ik voor ieder van ons mag spreken – ook met een niet geringe portie onzekerheid (en sommigen zelfs doodsangst om letterlijk dood te vriezen) uit naar onze tweedaagse trektocht in het ongerepte hart van het eiland.

Oorzaak (en doel) van deze hoopvolle zenuwachtigheid: de beklimming van de Piton des Neiges, met zijn 3.070 meter de hoogste piek van Réunion. Een overnachting met zicht op de top stond gepland in de Gîte du Caverne Dufour (waar het naar verluidt – of toch zeker in enkele nachtmerries de voorafgaande maanden – ’s nachts kouder is dan op de Zuidpool). Dat we over degelijke wandelbenen beschikken, hadden we al verscheidene keren bewezen, maar vandaag en daags nadien zouden onze trekkersbenen uitvoerig getest worden.

Licht gepakt en gezakt (met enkele reservekleren, voldoende water, koplampen en onze rumvoorraad om onze innerlijke motor ’s nachts op toerental te houden) vertrokken we kort na de middag uit het bergdorpje Cilaos de steile bergwand op. Deze beklimming van een vijftal uur laat zich heel moeilijk onder woorden brengen, want dit is écht iets wat je gewoon gedaan moet hebben om het gevoel van voldoening en de onmetelijke uitzichten over het hele eiland te bevatten. Toch doe ik een summiere poging.

De etappe van de eerste dag, vanaf startpunt Le Bloc op 1.380 meter hoogte tot aan de overnachtingshut, kenmerkt zich door zijn meedogenloze start. Het wandelpad, dat zich zowel in de gedaante van aangestampte aarde, rotsblokken als natuurlijke en kunstmatige ladders profileert, is absoluut doenbaar voor iedere doelbewuste wandelaar, maar toont vanaf de eerste meter geen genade met zijn steiltegraad. De uitdrukking ‘vals plat’ staat alleszins niet in het woordenboek van de Piton des Neiges.

20180916_094640

Vergezichten zijn schaars op de beboste flanken, maar eens om de twintig minuten is het verbazingwekkend hoeveel dieper de Cirque de Cilaos zich iedere keer weer in de afgrond stort. Halverwege deze eerste dagtocht bood een waterstroompje welgekomen verfrissing, waarna een tiental heuse haarspeldbochten en drie ladders de exponenten vormden van het eerste deel van onze onderneming.

Na vier uur plezierig zwoegen doemde over de richel van de bergflank een boulevard naar onze gîte op. De eerste vreugdekreten werden geslaakt! De piek van de Piton des Neiges lachte ons al van bovenaf toe.

So far, so good! En ook de gevreesde ijskoude temperaturen die ons de levensadem zouden ontnemen, bleken reuzegoed mee te vallen. Iedereen kreeg bovendien twee donsdekens waar Roald Amundsen en John Franklin jaloers op zouden zijn geweest. Na de geruststelling dat we hier niet gemummificeerd zouden worden, verliep ook de rest van de avond schitterend: het diner was copieus, een Duits koppel wou ons bijna adopteren en al kaartend en rumnippend sloten we als laatste niet-snurkend viertal de gîte af.

 

Dag 9⃣: Klim naar onbekende hoogten, Piton des Neiges (deel 2)

Hoe mooi de eerste dag op grote hoogte ook eindigde, des te verbluffender waren de eerste (nog heel donkere) aanblikken van de tweede bergdag. In normale omstandigheden is opstaan om twee uur ’s nachts om de aardappelen af te gieten geen cadeau, maar dit keer bleek het een waar godsgeschenk.

In de verder totale duisternis viel naast de blinkende sterren nog een andere lichtbron op. Dertig kilometer in vogelvlucht naar het zuidoosten wakkerde een mysterieus felrood schijnsel aan de horizon, exact waar we drie dagen geleden stonden. De Piton de la Fournaise was aan het uitbarsten!

Met deze rode lavagloed voor ogen dommelde ik nog enkele uren in, alvorens we om vijf uur de wakkere focus weer helemaal verlegden naar het bedwingen van de Piton des Neiges. Waar de beklimming van de beboste bergwand zich daags voordien typeerde als bijwijlen lastig, mochten we voor het laatste rotsachtige stuk de term ‘uitdagend’ in ons woordenboek opzoeken. Vooral het eerste deel kenmerkte zich niet meer zozeer door een pad, maar wel door van het ene ietwat losliggende rotsblok naar het andere te moeten springen.

Knots- of beter rotsgek zouden sommigen het noemen, maar het geeft zo’n kick om meter voor meter opwaarts progressie te maken! In het nachtelijkste zwart zagen we voor onze voeten een uur lang enkel een ovaal stuk van twee meter steengruis dat door onze koplamp opgelicht werd en voor en achter ons de felle schijn van een twintigtal gelijkaardige lichtbundels.

Toen de koplampen gestaag hun levensnoodzakelijke functie verloren ten voordele van de eerste schemerende zonnestralen, was het wonderbaarlijk om achterom te zien welke rotsige knoert we zojuist bijna blindelings bedwongen hadden en hoe de allerhoogste bergtop binnen een straal van meer dan duizend kilometer slechts op enkele slingerbewegingen van ons verwijderd was.

Het eigenlijke moment waarop we de laatste stap bergopwaarts zetten en we zicht hadden op het volledige Île de la Réunion, met de drie grote caldera’s in de nabijgelegen diepte, is niet in één bestaand woord te vatten. Verbazing. Voldoening. Grootsheid. Nietigheid. Het zijn allemaal gevoelens die we een uur lang op de top (en voor eeuwig in gedachten) vasthielden, vooraleer we weer met de voeten op aarde de verraderlijke afdaling inzetten. Want steengoeie herinneringen kunnen eeuwig opgeroepen worden, maar een grollende maag die na een lastige wandeling nood heeft aan een ontbijt, kan de koffiekoeken van daags voordien helaas niet opnieuw oproepen.

Deze slideshow vereist JavaScript.

Dag 1⃣0⃣: Hoogconjunctuur blijft aanhouden, met vulkanische apotheose

Het laatste drieluik van onze Elysische reis beleefden we niet meer vanuit een bivak op 2.000 meter hoogte, maar wel vanuit de noordwestelijke badplaats Saint-Gilles-les-Bains, op anderhalf uur rijden van het bergdorp Cilaos. Het temmen van de Piton des Neiges had onze benen nog niet helemaal afgesneden, want toen we ’s avonds onderuitzakten in ons comfortabele appartement, werden voor de aankomende tiende dag al bijna even ambitieuze plannen gemaakt.

De Cirque de Mafate, die we nog maar net vanaf de hoogste top hadden aanschouwd, wilden we ook aan een westelijke en noordelijke blik onderwerpen. Kun je je inbeelden hoe indrukwekkend een kraterlandschap van miljoenen jaar oud kan zijn dat je het vanaf drie verschillende plaatsen wil aanschouwen?

De tocht richting het feeërieke westelijke uitzichtpunt van de Maïdo-hoogte verliep dit keer niet al puffend met de benenwagen, maar wel al zachtjes tuffend doorheen bergdorpjes. Op het wegennet van La Réunion is werkelijk niets aan te merken, want zelfs op meer dan 2.000 meter hoogte liggen de haarspeldbochten er nog steeds perfect geplaveid bij.

Het uitzicht vanaf Maïdo gedurende de wolkenvrije ochtend was er alweer één om stil van te worden. Aan de einder doemde de ontiegelijk hoge berg op die we daags voordien nog bedwongen hadden, terwijl in de reusachtige vallei ervoor diverse lommerrijke plateaus oprijzen uit de vulkanisch geërodeerde diepten, waar diverse watervallen en stroompjes al millennia lang gedijen zonder enige tussenkomst van buitenaf.

Op die plateaus honderden meter onder ons, tekenden zich de daken van de meest afgelegen dorpjes af die je je maar kan voorstellen. De afgesneden nederzettingen luisteren naar namen als Grand Place les Hauts (dat zijn naam eer aandoet met een dozijn inwoners), Îlet à Déjeuner (er wacht je wel een heel fikse wandeling van enkele uren voor je er kan ontbijten) en ‘hoofdstad’ La Nouvelle.

In deze op het eerste, tweede en triljoenste zicht fascinerende, maar weinig herbergzame kraterdorpjes vonden honderden jaren geleden slaven een toevluchtsoord. De dag van vandaag zijn hun nazaten nog steeds grofweg van de buitenwereld afgesloten, want enkel via smalle bergpaden of met een helikopter zijn deze dorpjes toegankelijk. Het valt dan ook te betwijfelen of Uber Eats hier snel zal leveren.

Vanaf de Cap Noir in Dos d’Ane – in vogelvlucht een kleine tien kilometer, maar over land een uur rijden vanaf Le Maïdo – strekte een al even adembenemend landschap zich onder ons uit. “Meer van hetzelfde”, zou je kunnen denken, maar dat doet de grillige pieken, de groene oases en de piepkleine lappendekentjes met bebouwing in de diepte alle oneer aan. Je kunt de Cirque de Mafate dagenlang van bovenaf bewonderen en nog elke minuut versteld staan.

20180917_103513 (1)

Terwijl we tegen de middag de Cirque de rug toekeerden, werd mij iets duidelijk dat eigenlijk al vanaf de derde dag op het eiland aan het sluimeren was. Hier, naar deze onbeduidende stip op de aardbol, kom ik in een niet zo verre toekomst absoluut nog terug. En dan staat een meerdaagse ontdekkingstocht naar de afgelegen dorpjes in het hart van het eiland alvast aangekruist.

Ondanks de legio majestueuze momenten van voldoening en verrukking die ons op een grote week tijd al gegund waren, was onze honger naar natuurpracht en -macht nog niet gestild. Zeker niet wanneer de lokale Peter Van de Veire op de autoradio in vuur en vlam de nog steeds uitbarstende Piton de la Fournaise bewierookte. De gigantische rookpluim die we twee nachten ervoor vanaf de Piton des Neiges zagen uitgebraakt worden, was dus nog steeds laaiend actief.

Als je beseft dat de vulkaan gemiddeld één keer om de negen maanden uitbarst, dan hadden we hier het geluk immens aan onze zijde. Die unieke mogelijkheid om de opborrelende natuurelementen van nog naderbij aan het werk te zien, konden we dan ook niet in rook laten opgaan.

En zo geschiedde: een tocht van een dikke twee uur later, dokkerden we net als vier dagen voorheen over het maanlandschap van La Plaine des Sables. Dit keer was niet de diepe kratervlakte van de Piton de la Fournaise zelf, maar wel de omliggende richel ons einddoel.

Dat we niet doelloos zouden moeten zoeken naar de perfecte trail op weg naar het beste uitzicht op de uitbarsting, werd al heel snel duidelijk. Honderden andere nieuwsgierige wandelaars gaven aan waar de lamp brandde. Na een kwartier stappen ging de temperatuur voor het eerst letterlijk en figuurlijk fel de hoogte in. De aanblik van de uitbarsting was toen nog heel veraf, maar wel al immens impressionant.

Terwijl we vervolgens een uur lang de honderd meter diepe vulkanische afgrond veilig bleven omcirkelen, werd elke decameter het plaatje onwezenlijker. Tot we uiteindelijk op nog geen tweehonderd meter voor ons de gloeiendhete lava metershoog uit de pas gevormde krater zagen uitgestoten worden, om zich vervolgens als ware het een iconische scène uit The Lord of the Rings in een nietsontziende oranje stroom een weg richting de oceaan te banen. We zagen Frodo en Sam nog net niet gered worden door adelaars.

Een vurige foto-impressie van de uitbarsting:

Deze slideshow vereist JavaScript.

Voeg bij die sublieme aanschijn van uniek natuurgeweld nog een ondergaande zon achter de hoogste vulkaantoppen en je tekent een fluorescerend schouwspel dat voor eeuwig op je netvlies gebrand staat. Het zal wellicht niemand verbazen dat enkele uren later de vurigste der dromen onze nachtrust doorkruisten.

“F*ck, dat wordt hier epischer met de seconde”, een perfecte beschrijving van onze ervaring:

En omdat we er niet genoeg van krijgen, nog een keer het journaalitem over de uitbarsting:

Dag 1⃣1⃣ en 1⃣2⃣: Waanzinnig afsluiten, heet dat dan…

Over vuur gedroomd en gesproken: op onze laatste volledige dag op het wonderlijke eiland beleefden we nog een prachtige afsluiter met onze vuurdoop in de lucht. Vergezeld door vier sympathieke luchtacrobaten, die onderweg oprecht geïnteresseerd waren in de communautaire strubbelingen in België, begaven we ons vanuit het kustdorpje Saint-Leu richting de hoogvlakte van La Chaloupe, op 1.500 meter boven zeeniveau. Ditmaal niet om er onze wandelschoenen aan te knopen, maar wel om een halfuur lang over de westelijke helft van La Réunion te zweven.

Enkele weinig verblufte koeien zagen hoe ons gezelschap hun hooggelegen territorium enkele minuten innam, er vier reusachtige parapenteschermen uitgevouwd werden en we vervolgens één na één des te verblufter de afgrond afholden. Om enkele seconden later geen grond, maar anderhalve kilometer lucht onder onze voeten te zien. Dat alles uiteraard achternagezeten door een begeleider aan wie we ons leven een halfuur lang zouden toevertrouwen.

De parapentevlucht zelf omschrijft zich het best als een combinatie van pure adrenaline enerzijds en dolce far niente anderzijds. Nadat de overgang van staand naar vliegend wezen bevattelijk was geworden, was het minutenlang intens genieten van de vulkanische hellingen die achter ons oprezen, van de honderden nietig lijkende suikerrietvelden die onder ons voorbijgleden en van de azuurblauwe oceaan die elke minuut dichter opdoemde.

Alsof dat nog niet genoeg genot veroorzaakte, mochten we van onze begeleider letterlijk zelf de touwtjes in handen nemen. En als absolute klap op de vuurpijl verscheen – net op het moment dat we zelf boven de oceaan navigeerden – een walvis met haar jong een kwartier lang boven het wateroppervlak. Zelf cirkeltjes draaien op honderd meter boven een stel walvissen, het was me het avontuur wel.

Met enkele acrobatische luchtfiguren als toemaatje (waarbij wij wijselijk weer een passieve rol innamen) werd de koers richting begane grond ingezet. Een perfecte staande – of bij iemand van ons ‘zittende’ – landing op het strand was symbolisch ook een perfecte landing van een waarlijk wonderlijke reis vol nauwelijks te bevatten natuurpracht, adembenemende avonturen en een innemende lokale gastvrijheid.

Een laatste schilderachtige zonsondergang op La Plage de l’Ermitage, een laatste keer genieten van de keizerlijk gekruide Creoolse cuisine, een laatste aanblik van een tiental nieuwsgierige walvissen tijdens een rondvaart, een laatste keer de golven van de onmetelijke Indische Oceaan tekeer zien gaan op Cap de la Houssaye en enkele laatste Dodo’s in een hoofdstedelijk kafaat (waarbij de barman letterlijk een ‘wow’-gevoel ervoer bij het zien van de Belgische drinkrituelen) vormden de afsluitende luchtbruggen tot de terugreis richting Europees vasteland 10.000 kilometer noordelijker.

Een eiland dat twee weken voordien nog als een onbeduidend ogend stipje aan de andere kant van de aardbol had geschemerd, barst sindsdien als een ruige, maar o zo verbluffende vulkaan uit in ons hart en onze herinneringen. La Réunion lé la!

De hoogtepunten van La Réunion in kaart gebracht:

Afsluitende voetnoot: Bovenstaand epistel is een relaas van een paradijselijke reis zoals die in mijn geheugen gegrift staat. Uiteraard moesten we ook onze overnachtingsplaatsen vastleggen, inkopen doen en ons meerdere keren daags insmeren tegen ‘dengue’ (knokkelkoorts). Als je een reis naar La Réunion overweegt (groot gelijk!), mag je me altijd contacteren voor praktische tips.

© Foto’s, video’s en onvergetelijke ervaringen: Michaël Raes, Stijn Wydooghe, Reinout Daels, Björn Denys en VRT